* * trekvaarten en trekschuiten * *
• Bron Afb “GOIBT” •
Al in overgrootmoeders tijd waren het
symbolen van stilstand en achteruitgang. Dat was de schuld van de toen nog
ultramoderne spoorwegen. Vergeleken daarmee leken trekschuiten immers
bijna letterlijk stil te staan, of beter: te liggen. Historisch gezien is dit een
onrechtvaardig oordeel.
In hun eigen tijd, in de zeventiende en achttiende eeuw, waren
trekschuiten efficiënte, comfortabele en betrouwbare vervoermiddelen. Hun bijdrage aan
de Nederlandse welvaart valt moeilijk te overschatten. Die bijdrage had overigens nog
groter kunnen zijn, als de trekschuiten behalve personen, post en kleine pakjes ook
goederen hadden mogen vervoeren. Maar dat mocht niet. Jaloers bewaakte stedelijke
privileges stonden dat in de weg. Haarlem speelde daarbij een hoofdrol.
Dat bleek ook toen in het midden van de zeventiende eeuw de trekvaart tussen Leiden en de Spaarnestad werd
aangelegd.
In 1618 is voor het eerst in de Republiek een geheel nieuw aangelegde trekvaart tot
stand gekomen, tussen Groningen en Zuidbroek, voornamelijk bedoeld voor de turfvaart.
Van een geregelde veerdienst was toen nog geen sprake. Delft en Leiden hebben decennialang de mogelijkheid
overwogen van een trekvaart verbinding, maar zijn telkens weer gestuit op problemen. Deze problemen
hadden voornamelijk betrekking tot de dam bij Leidschendam. Kleine schuiten konden daar wel
overheen worden getrokken, maar bij de trekschuit afmeting lag dat toch iets anders. Overigens
was er, ondanks die barriere, (de sluis was er ook nog niet) in 1584 al een
beurtvaart met zeilschepen tussen Delft en Leiden.
• Bron Afb “GOIBT” •
Enige jaren geleden voerden de binnenvaart schippers een campagne
onder de leus van:
* * Vervoer over water, de juiste weg. * *
Ze verzetten zich tegen de
komst van een snelle goederenspoorlijn tussen Rotterdam en het
Ruhrgebied. In de zeventiende eeuw had niemand deze leus kunnen bedenken: het
sprak immers vanzelf.
Vooral het vervoer van goederen tussen de steden over de
binnenwateren, en daaraan had Nederland nauwelijks gebrek, was superieur aan het
moeizame verkeer met karren over onverharde landwegen. Nadeel was wel dat de
zeilschepen regelmatig kampten met tegenwind en windstilte.
De schippers waren verplicht gebruik te maken van bepaalde routes.
Het scheepvaartverkeer tussen
Amsterdam en de steden Leiden, Gouda en verder naar het zuiden liggende bestemmingen,
moest bijvoorbeeld gebruik maken van het IJ om dan via de schutsluis bij Spaarndam op
het Spaarne terecht te komen. Via het altijd gevaarlijke zeilwater van het Haarlemmermeer
bereikten de boten dan de wateren die ze naar Leiden of via Gouda naar ander plaatsen
voerden. Ook voor de omgekeerde vaarrichting
was deze route verplicht. Haarlem profiteerde van die grote aantallen langsvarende schepen.
Ze leverden bijvoorbeeld
inkomsten op in de vorm van bruggelden. De stedelijke nijverheid en detailhandel had er
eveneens baat bij: schepen lieten reparaties verrichten en sloegen proviand in. Deze
inkomstenbron was voor de stad niet onbelangrijk en werd jaloers verdedigd. De steden
Gouda en Dordrecht hadden vergelijkbare belangen bij het instandhouden van deze
verplichte vaarroute en zorgden er tezamen met Haarlem voor dat die door de Staten van
Holland niet werd afgeschaft. En slechts met instemming van die Staten konden
infrastructurele werken als trekvaarten worden aangelegd.
Na 1630 werden in Holland talrijke trekvaarten gegraven. Die mochten bijna uitsluitend
gebruikt worden voor het vervoer van personen, post en kleine pakjes. Het gewone
vrachtverkeer werd er niet op toegelaten. Zonder die beperking zouden Haarlem, Gouda en
Dordrecht nooit hebben ingestemd met de aanleg van de trekvaarten. De stemmen van deze
steden in de Statenvergaderingen wogen zwaar genoeg om deze voorwaarde af te kunnen
dwingen.

Door de trekvaarten voeren trekschuiten. Ze werden voortgetrokken door paarden die
liepen over een pad naast de trekvaarten, het zogenaamde jaagpad. Het ging weliswaar
allemaal niet erg snel, maar de trekschuiten hadden geen last van tegenwind, waren zeer
betrouwbaar en, gemeten met de maatstaven van de zeventiende eeuw, ook zeer
comfortabel. De trekschuiten voeren ook met een dienstregeling die nauw luisterde. Op
tijdsoverschrijdingen stond een boete!
De trekvaart tussen Leiden en Haarlem was bijna dertig kilometer lang en had een breedte
die varieerde tussen de vijftien en twintig meter. Het graven van vaarten was handwerk.
Als we daar rekening mee houden, moeten we zeggen dat het graafwerk verbluffend snel
voltooid was. Het werk begon in maart 1656 en al op 1 november 1657 voer de eerste
schuit van Haarlem naar Leiden. Het werk was in vakken aanbesteed en men werkte dus op
verschillende plaatsen tegelijkertijd. Haarlem en Leiden exploiteerden de vaart voor
gezamenlijke rekening en die exploitatie bleek zeer lucratief.
Daaraan kwam een einde in de negentiende eeuw toen achtereenvolgens de diligences over verharde wegen, en later de
rails, met trams en treinen de trekschuiten volledig weg concurreerden.
|