Deze buitenplaats, gelegen aan de Trekvaart heeft een lang verleden.
Voordat de trekvaart werd gegraven lag Oud Poelgeest aan het riviertje “De Maern”.
“Polgest” stond al met twee boerderijen op de goederenlijst van de Utrechtse
Sint Maartenskerk, die werd opgesteld tussen 777 en 866.
De woontoren van de familie van Poelgeest wordt al in 1320 genoemd in
een leenbrief van Dideric, burggraaf van Leiden, die het Huys in leen geeft
aan IJsbrandt Heinriczoen van Poelgeest.
Hoe oud het huis toen al was, is niet meer na te gaan. De oom van IJsbrandt,
Floris van Alkemade veroverde echter het huis en sindsdien was het huis
in bezit van de Van Alkemades. (De Poelgeesten vertrokken naar Koudekerke,
waar het Huis Hoorne werd overgenomen en daarna Groot-Poelgeest heette)
Er is aanleiding om aan te nemen dat tijdens de Hoekse en Kabeljouwse
Twisten, de woontoren is verwoest. Vermoedelijk is het daarna niet meer opgebouwd.
Wel is op het terrein een woonhuis gebouwd,
Waterput uit 1550.
|
naast de nu nog bestaande waterput van 1550. Deze bestaat uit een opbouw van blauwe
hardsteen, bestaande uit drie segmenten met pilasters en kapitelen. Helaas is de smeedijzeren
constructie erboven door de tijd verloren gegaan. In 1438 werd de Kwaakbrug over
de, toenmalig nog “De Maern” geheten, grenzend aan het landgoed gebouwd.
Het huis moet vlak bij de toegang vanaf de weg hebben gelegen. Een afbeelding op
het Lancaarttapijt (Lakenhal/Leiden) zou daarvoor een bevestiging kunnen zijn.
Boven het woord Alkemade staat het huis, onder het woord Poel staat de ruďneuze toren.
|
Oud Poelgeest bleef in bezit van de van Alkemades tot 1615, toen het verkocht
werd, de eigenaars woonden in Belgie en het was te lastig om tijdens de 80-jarige
oorlog het oude huis aan te kunnen houden. Bij de ruďne in 1560 stonden twee poorttorens,
die beschreven zijn als “Wagenhuys en Berchhuys”.
Buchelius 1612, impressie van ruďne van Oud Poelgeest.
|
De toen bekende geleerde Buchelius heeft er in 1612 nog een tekening van gemaakt om
de verkoop te bevorderen; uiteindelijk werd het gekocht door Cornelis van Lochorst die in
'Warmond' het kasteel Lochorst bewoonde. Hij kocht het geheel bedoeld als erfgoed voor zijn kinderen.
Landmeter J.Dou werd gevraagd (in 1633) een plattegrond van het gebied te maken.
|
Roeland Roghman ca. 1646 Oud Poelgeest.
|
In 1644 werd het gebied met ruďne gekocht door Constantin Sohier (1624-1671).
Hij was 19 jaar, zijn zéér rijke vader was net overleden, en hij
had de boodschap gekregen de familie eer weer te herstellen, en
daar de nalatenschap voor te gebruiken. Zijn voorouders hadden als Waalse
vluchtelingen uit Bergen (Mons), alles achter moeten laten, wegens
de Spaanse Inquisitie. Sohier is 20 jaar is bezig geweest om door middel van
documenten, zijn afstamming van de franse koning Filips I te bevestigen.
Daarmee wilde hij aantonen dat hij recht had op de titel: ‘de Vermandois’.
Zijn genealogische zoektocht is in een
boek opgetekend. Het werd in 1661 uit gegeven; in dat jaar werd hij
ook in de Hollandse Ridderschap ingeschreven. Nu kon hij de aankoop van
Oud Poelgeest gebruiken om een nieuw kasteel, omgeven door een
slotgracht, te laten bouwen.
Al na een maand werden bouwplannen bij de Stad Leiden ingediend.
Het nieuwe kasteel is niet op een vierkant of rechthoek gebaseerd
zoals alle nieuwe buitenplaatsen van die tijd. De twee vooruitspringende
hoektorens doen sterk denken aan de afgebroken ruďne.
De soberheid
en symmetrie van het geheel maken het tot een moderne variant van de
Hollandse classicistische bouwstijl, die toen de “Italiaensche Stijl” werd
genoemd. De afwijkingen van de heersende bouwstijl doet vermoeden
dat er veel eigen ideeën in verwerkt zijn.
Voorbeeld van een formele tuinaanleg ca. 1660.
|
Het huis ligt midden op de diagonalen. Rechthoekige singels met een halve
maan voor- en een parterre achteraan.
De tuin zal in dezelfde stijl zijn aangelegd. Delen ervan zijn nu nog terug te vinden.
Het huis is vermoedelijk niet bewoond geweest door Constantin, maar door
de enige dochter met
Cornelis Pronk, 1729 T ’ Huys Arensteyn bij Leijden.
|
haar man, Johann Rautter von Arnstein geheten. Daarom heeft het huis ook een
tijdje ’t Huys Arensteyn geheten.
Uiteindelijk is het in 1724 aan dokter Herman Boerhaave (1668-1738) verkocht door
een kleindochter van Constantin Sohier de Vermandois. Boerhaave woonde in Leiden
en was een tijdlang naast hoogleraar Medicijnen ook hoogleraar Botanie. In die functie
had hij het beheer over de Hortus Botanicus ('s-werelds eerste botanische tuin), die al sinds 1590 Leiden sierde. Die was echter niet groot genoeg om alle
boomzaden te kunnen opkweken die door de VOC werden meegenomen op zijn
verzoek; tevens kreeg hij van zijn buitenlandse studenten, die na hun studie naar
eigen land terug keerden,veel zaden toegestuurd.
Nieuwe loten aan een tulpenboom van ca. 275 jaar oud.
|
De bomen konden wel in Oud Poelgeest staan. De enige nog overgebleven
boom, die met zekerheid (alhoewel door anderen toch weer tegengesproken)
door Boerhaave gepland, is de tulpenboom (Liriodendron Tulipifera).
Deze is inmiddels wel vergaan, maar er zijn drie jonge bomen uit deze
oeroude vergane tulpenboom ontsproten.
Ten tijde van de kleindochter van Boerhaave in 1781 werd een deel van
de rechthoekige singel gedempt evenals een deel van de omringende
gracht rond het huis. Daarbij werd de stenen toegangsbrug afgebroken.
De tulpenboom bleek op een heuveltje op een eilandje in een vijver te
staan, maar ook de vijver werd gedempt.
Aan de Vliet (Trekvaart) stond in 1729 een geel geverfde tuinkoepel. (te zien
op de tekening van C.Pronk) Door het dempen van een deel van de gracht kon
over het hele terrein een engelse landschapstuin aangelegd worden.
Van het huis werden de kruisvensters vervangen door empirevensters. Daartoe werden
de onderzijden van de vensters verlaagd. Toen de achterkleindochter
van Herman Boerhaave in 1835 overleed, verkochten haar vier kinderen het huis
aan Mr.Lodewijk Caspar Luzac, die staatsraad en curator werd van de
universiteit van Leiden.
In 1837 werd een tekening van de tuin gemaakt door landmeter W.I.
van Campen, na de overstroming van de Haarlemmermeer tijdens
Nieuwjaarsnacht in 1836.
Kaart van Oud Poelgeest 1837 door landmeter W.I.van Campen.
|
De veranderingen die bij de aanleg van de Engelse Landschapstuin zijn
ontstaan, komen hier duidelijk naar voren. De ‘laan’, die altijd vanaf
het toegangshek bij de halve maan recht op het huis liep, werd
weggehaald. Er kwam een nieuwe weg die langs de boerderij in de
rechter bovenhoek liep.
Het landleven werd in de tuinarchitectuur opgenomen. De parterre, die
tussen twee slootjes lag, werd vergroot door demping van de rechtersloot.
Paden liepen slingerend door de open en beboste stukken, de rechthoekige
waterpartijen kregen een vloeiende vorm met wandelpaden ernaast.
Tuinhuisjes in diverse stijlen werden geplaatst om aangenaam te kunnen
verpozen.
In 1850 werd Oud Poelgeest verkocht aan Jhr.mr.D.T.Gevers van Endegeest,
die het kocht om te voorkomen dat er een kostschool in gevestigd zou
worden. In 1856 verhuurde hij het huis aan Gerrit Willink (1814-1876) uit
Bennebroek. Zijn erfenis, 'Huis te Bennebroek', (dat ook al bewoond was
geweest door een zoon van Constantin Sohier de Vermandois) werd
grondig verbouwd, en hij zocht een fraai onderkomen tot de
verbouwing klaar was.
In 1856 werd Oud Poelgeest gekocht. Meteen werden plannen tot een
grote verbouwing gemaakt. Willink was in de ban van de tijdgeest. Gewone
saaie buitenplaatsen uit de 17de eeuw, werden in heel Nederland van torens
voorzien om ze een adellijk aanzien te geven (in die tijd bijvoorbeeld, werd de
markante toren van het kasteel Euwsum afgebroken).
Eén van de drie ontwerpen met ui-vormige torens, vermoedelijk door Eli Saraber.
|
Voor Gerrit Willink was dat een reden om architect Eli Saraber te vragen
torens met eenzelfde ui-vorm voor zijn
huis te ontwerpen. Er kwamen wel drie torens; de middelste werd enorm
groot, de twee andere waren wat kleiner. Gelukkig is dat niet door gegaan.
Vermoedelijk was de constructie van het huis niet stevig genoeg om die
enorme ui te dragen. De andere uivormen zijn wel geplaatst. Voor de stevigheid
zijn de vensters dichtgemetseld die in de muurdelen eronder zaten, en
er zijn zware stalen balken gebruikt om de muur bovenin te verstevigen. Het
achterdak werd verhoogd en de daklijn werd licht gebogen. De
veranderingen aan het huis, zoals op deze tekening te zien is, zijn niet door gegaan.
Neogotische kapel (1856) aan de Haarlemmertrekvaart, met brug uit 1654.
|
De gele tuinkoepel aan de Trekvaart, die in 1835 al op instorten stond,
werd in 1856 vervangen door het neogotische kapelletje waarin Willink zelf
voorging bij godsdienstoefeningen, die voor het personeel werden gehouden.
Hij was uit de Hervormde kerk van Heemstede gestapt, (waar hij
vandaan kwam) en hij had zich aangesloten bij de engelse sekte van Darbisten.
De Darbisten zijn de volgelingen van John Nelson Darby (18/11/1800 - 29/04/1882).
Daar Darby, als lid van de Anglicaanse kerk zich niet kon vinden in deze overtuiging;
allerlei uitwendig vertoon was Darby namelijk een gruwel, verbrak hij in 1828
zijn verbintenis. Hij stond een broederschap voor van ware gelovigen die
vooral hun kracht zouden zoeken in geestelijke kracht.
Nadat het huis in handen kwam van de kleindochter van Gerrit Willink, werd
het huis in 1940 verkocht
hotel & congrescentrum
|
aan de Gemeente Oegstgeest.
Die verpachtte het op zijn beurt aan de Stichting Beheer en Exploitatie Oud Poelgeest,
die het huis en het terrein met het koetshuis en andere opstallen
exploiteert als hotel en congrescentrum. Met de baten ervan wordt het
complex nu onderhouden.
(c) artikel/foto's: Drs.Brigitte Rink
|
|